In deze handleiding staan tips over hoe je een spreekbeurt kan houden. Waar moet je op letten? Wat moet je wel doen? En wat moet je juist niet doen?
We hopen dat je wat hebt aan alle tips. Succes met de voorbereiding!
 
 

1. Waar ga ik het over hebben?

Dit onderdeel is vrij makkelijk. Bij ons op school houd je vaak je vaak je spreekbeurt over hetzelfde onderwerp als
je werkstuk. Al het voorbereidende werk heb je eigenlijk al gedaan.
 

2. Wat kan je laten zien?

Zorg ervoor genoeg afwisseling in je spreekbeurt. Je moet niet de hele tijd aan het praten zijn. Wissel af door dingen te  laten zien. Zo blijft het publiek geïnteresseerd.
Worden ze even 'wakker geschud'.
Bovendien: als je iets voor je ziet, is het vaak duidelijker. Ook onthoud je het vaak een stuk beter dan als je het alleen  maar hoort.
 
NB: Probeer zo min mogelijk spullen door te geven tijdens je spreekbeurt. Alleen als het echt nodig is. Het leidt alleen  maar af. Kinderen luisteren niet meer goed naar jou, want ze kijken naar iets anders. Of je houdt ondertussen je mond,  maar dan valt de spreekbeurt stil.
 
a.  Powerpoint
Vooral de kinderen in de klassen met een digitaal schoolbord kunnen een powerpointvoorstelling (PP) maken. Soms is dat  zelfs een voorwaarde. Op de website van school (bij 'Zo werkt het') staat een handleiding voor het maken van een PP.
In de PP staan plaatjes, afbeeldingen, en tekst. Let erop dat je niet te veel tekst erin zet. Dan ga je al snel oplezen.  
Wat kan je wel er in schrijven:
• Belangrijke woorden
• Moeilijke woorden
• Volgorde van bepaalde stappen (vb.: de stappen van hoe je drop maakt)
• Een schema van bepaalde stappen, zoals je hiernaast ziet.   
b.  Plaatjes. Zorg voor veel duidelijke plaatjes. Zoek ze óf op internet óf in boeken.  
• De plaatjes moeten scherp, groot en duidelijk genoeg zijn.
• Ze moeten iets kunnen uitleggen of iets duidelijk kunnen maken.
• Als je plaatjes laat zien, zorg dan wel dat het de juiste plaatjes zijn. Op internet vind je een heleboel plaatjes die  vaak niet echt bij je onderwerp horen. Vb. Als je op www.google.nl (afbeeldingen) het woord 'reservaat' intypt omdat je  een plaatje wil laten zien van een indianen-reservaat in Amerika, kan je ook een plaatje van een wildreservaat in Afrika
 krijgen met olifanten en giraffen. Zet het er dan niet bij!
• Plaatjes in boeken kan je snel terugvinden als je er van die gele zelfklevende memostickertjes op de pagina plakt met de  naam van het plaatje erop geschreven.  
Tip: Als je het plaatje hebt laten zien, kan je het memoblaadje weg halen. Zo blijven er steeds minder blaadjes over en  wordt het steeds makkelijker opzoeken.
 c.  Atlas
Als je iets vertelt over een ander land of gebied ergens op aarde, laat dat dan zien op een (wereld-) kaart. Er hangt er  vast één in de klas, of je zet een kaart in je PP of je laat het zien in een atlas.
Niet alleen maar als je hele spreekbeurt over een land gaat. Ook aanwijzen als je het land even kort noemt.  
Behalve misschien als het land superbekend is. Je hoeft natuurlijk niet aan te wijzen waar Nederland ligt, of België als iedereen in de klas dat al lang weet.
d.  Materialen. Het leukste is om eigen materialen mee te nemen. Soms kan je de materialen ook lenen bij andere mensen.
 Soms moet je je stoute schoenen aantrekken en bijvoorbeeld naar het ziekenhuis gaan of de dokter om te vragen of je iets  mag lenen voor je spreekbeurt. Nee heb je, ja kan je krijgen!
Toch!?
 
Zorg dat je de materialen netjes op volgorde op de tafel uitstalt. Zo ziet het er aantrekkelijk uit en kan jij het bovendien snel vinden.   
En … heel belangrijk … vergeet de spullen niet te laten zien. Anders staat het er alleen maar te staan.
e.  Filmpje. Een filmpje vertelt soms meer dan 1000 woorden of plaatjes. Gebruik teleblik, schoolTV beeldbank of het  klokhuis. Let er bij Youtube goed op dat het wel echt een goed filmpje is. Er staat een hoop troep tussen.
Je kan natuurlijk ook een stukje video of DVD laten zien. Zorg dat je filmpje niet te lang is en dat het echt over je onderwerp gaat.
NB: Als je een filmpje laat zien, vertel dan eerst even kort wat de kinderen gaan zien en waar het filmpje over gaat. Gewoon in een paar zinnen.
f.  Proefjes of iets voordoen.
Heel leuk is dat je iets voordoet. Leg het uit door het te laten zien. Je kan heel lastig uitleggen hoe je een tennisbal serveert, maar je kan het ook laten zien. Als je het hebt over een natuurkundig onderwerp, zoals magneten, kan je ook
 een proefje doen.
De kinderen letten opeens veel beter op en vinden het leuk. Bovendien ga jij vaak meer vertellen en niet uit je hoofd iets  opdreunen.
g.  Algemene tips
• Laat de materialen goed en duidelijk aan iedereen zien.
• Laat alle spullen zien op het goede moment. Niet achteraf.
• Als je een plaatje bij een PP hebt, ga dan bij het bord staan en vertél er bij. Wijs het aan op de afbeelding en vertel  er echt bij. Je merkt dat je dan vanzelf ook echt gaat vertellen i.p.v. een stuk tekst opdreunen.

 

3. Hoe maak je een hulpschema?

Zorg ervoor dat je tijdens de spreekbeurt vertélt! Niet alles opdreunen en zeker niet alles voorlezen. Je moet een spreekbeurt niet helemaal in je kop stampen.  
Maak een hulpschema met bijvoorbeeld de hoofdstukjes en de belangrijkste woorden en/of zinnen daaruit.  
Maak daar een hulpschema van, een soort spiekbrief. Zo, dat als je het even niet meer weet, je even op je schema kan kijken. Dan weet je heel snel wat je moet vertellen. Let daarbij op de volgende punten:
• Let schema moet niet veel langer dan twee pagina's zijn ongeveer.
• Werk met korte zinnen en belangrijke woorden; geen hele verhalen!
• Als je een PP maakt, kan je erbij zetten wanneer je de volgende dia moet laten zien.
• Zet bijv. een rode stip op je schema waar je een plaatje moet laten zien. Dan vergeet je het niet.

LET OP:  HET MAKEN VAN EEN HULPSCHEMA IS VERPLICHT!
 
 

4. Hoe bereid je je voor?

Je hebt het werkstuk al gemaakt, dus heel veel weet je al. De belangrijkste voorbereiding is het maken van een hulpschema. Daarna ga je oefenen.  
a.  BEGIN RUIM OP TIJD! Niet uitstellen tot een week van tevoren!
b.  Lees je werkstuk een paar keer heel goed door.  
c.  Controleer of je van alle woorden de betekenis, uitspraak etc. kent. Snap je alles wel en kan je het makkelijk in je eigen woorden uitleggen?
d.  Weet van steden en landen waar je ze kan aanwijzen op een kaart.  
e.  Bekijk het hulpschema en probeer hoofdstuk 1 in je eigen woorden te vertellen. Kijk of je niets overslaat en pas zonodig je hulpschema aan.  
NB: Het hoeft nog niet uit je hoofd; je mag gewoon op je schema kijken!
f.  Bedenk daarna ook goed wanneer je welke plaatjes, dia's of andere materialen wilt laten zien bij dat hoofdstuk. Geef duidelijk aan op je hulpschema wanneer je iets wilt laten zien. Gebruik daar een vast teken voor, bijv. een rode stip.
g.  Heb je hoofdstuk 1 doorgelopen mét hulpschema? Prima! Probeer het nu eens zonder hulpschema. En met plaatjes, materialen, etc.  
NB: Let er goed op dat je vertélt. Je hoeft niet woord voor woord de tekst te volgen van je werkstuk.
h.  Hoofdstuk 1 klaar? Dan hoofdstuk 2 op dezelfde manier. En zo verder.
i.  Na een paar hoofdstukken ga je vanaf het begin beginnen en doe je een paar hoofdstukken achter elkaar. Zo bouw je
 het steeds verder uit.
j.  Als je het denkt te weten, probeer het dan uit voor bijv. je ouders. Probeer dat meteen met alle plaatjes en materialen. Kijk wat er goed gaat en waar je beter op moet letten. Laat je ouders tips geven.

5. Hoe zorg je voor een goede presentatie?  

Bij het zetten van plaatjes in de tekst moet je rekening houden met het volgende:
a.  Stem. Je stem is heel belangrijk. Let heel goed op de volgende punten:
• Probeer op een levendige en vrolijke manier te vertellen.
• Praat niet te snel of te langzaam. Tip: Als je zelf het idee hebt dat je te langzaam en iets te overdreven praat, is het  voor de luisteraars  
• Praat niet te zacht of te hard
• Praat duidelijk en goed gearticuleerd, niet binnensmonds.
• Sommige kinderen gaan aan het eind van een zin onduidelijker praten; ze slikken de laatste woorden in. Let daar goed op.
• Praat niet met je rug naar de klas toe als je bijv. iets op het bord laat zien.
b.  Lichaamshouding. Hoe je staat en je beweegt is ook heel belangrijk. Let op de volgende punten:
• Kijk goed de klas rond en probeer  iedereen goed aan te kijken als je vertelt. Als je het lastig vindt, kijk dan  net iets boven de kinderen.
• Zorg er voor dat je een enthousiaste
uitstraling hebt. Als je zelf enthousiast bent, zullen de kinderen dat ook zijn / worden en dus beter luisteren.
• Wil je zitten? Ga lekker zitten! Wil je staan? Blijf dan maar lekker staan! Je moet jezelf prettig voelen. Soms helpt het om iets in je handen te hebben, zoals een pen waarmee je een beetje kan frunniken.
Zelfs nieuwslezers hebben dat wel eens.
• Als je staat, sta dan stevig op je voeten! Niet met je handen langs je lijf blijven hangen.
• Gebruik je handen tijdens het praten. Zo kan je iets duidelijker maken. Wijs dingen aan op het bord, of maak bepaalde  gebaren om iets duidelijker te maken.
c.  Afwisseling. Zorg dat je spreekbeurt afwisselend is. Wissel praten af met een filmpje, met wat plaatjes, met iets  voordoen.
Wissel ook je houding af. Ga eens bij het bord staan om iets aan te wijzen, ga weer eens achter de tafel staan, etc.
Maak eens een grapje tussendoor. Of begin met een grapje aan het begin van je spreekbeurt. Dan breek je het ijs een beetje.


6. De indeling van je spreekbeurt

a.  Inleiding. Begin je spreekbeurt om te vertellen waar je het over gaat houden en waarom je dat onderwerp hebt gekozen.
b.  Kern. Daarna komen alle hoofdstukjes. Let er op dat je alles in de juiste en logische volgorde vertelt.
c.  Afsluiting. Zorg voor een echt einde aan je spreekbeurt. Soms lijkt iemand midden in een spreekbeurt te zijn en dan  zegt hij opeens: 'Dit was mijn spreekbeurt!
Soms kan je iets uitdelen achteraf; een leuk aandenken.
d.  Vragen van de kinderen. Aan het eind mogen de kinderen vragen stellen. Wees voorbereid door alvast te bedenken wat  voor soort vragen er zouden kunnen komen. Dan hoef je niet zo lang na te denken op het antwoord.
Weet je het antwoord niet? Geeft niets. Zeg gewoon dat je het antwoord niet weet of zeg dat je het antwoord even zal  opzoeken. Jij kan ook niet alles weten tenslotte.
e.  Op- of aanmerkingen. De kinderen mogen aan het eind ook iets zeggen wat ze goed vonden of wat ze minder goed vonden  aan je spreekbeurt. Let goed op, want daar zitten hele handige tips bij voor een volgende spreekbeurt.
Deze tips en opmerkingen zijn vaak nog belangrijker dan je beoordeling.


VEEL SUCCES MET JE SPREEKBEURT!

Je kunt deze uitleg downloaden als PDF: