1. Informatie zoeken:

  • Zoek een leuk informatieboekje.
  • Laat het boekje zien aan je juf of meester.
  • Je informatieboekje is de basis van je werkstuk.
  • Je kan het aanvullen met andere boeken of internet
  • Let er op Internet op dat de bron betrouwbaar genoeg is.

2. Informatie verwerken:

  • Lees je boekje (en andere informatie) goed door.  

3. Indeling van het werkstuk:

  • Kaft  – Inhoudsopgave – Inleiding – Hoofdstukjes – Slot – Bronnenlijst  

4. Het schrijven van de tekst:

  • In je eigen woorden; géén tekst letterlijk overtypen of kopiëren van internet
  • Schrijf in goed lopende zinnen
  • Maak duidelijke alinea’s
  • Gebruik signaalwoorden
  • Let op taal- en spellingfouten
  • Let op hoofdletters en punten

5. Plaatjes in het werkstuk:  

  • Minimaal op elke pagina één plaatje
  • Zorg dat de plaatjes groot, scherp en duidelijk genoeg zijn
  • Zorg dat je plaatjes bij het juiste hoofdstuk staan
  • Zorg dat het plaatje ook in de tekst wordt besproken.

6. Lay-out van het werkstuk:

  • Zorg dat je kaft er gelikt uitziet. Dat is het visitekaartje van je werkstuk.\
  • Zorg er voor dat de lezer je werkstuk al mooi vindt, voordat hij het heeft gelezen.
  • Zorg dat lettertype, -grootte en kleur overal gelijk is.\
  • Signaalwoorden, tussenkopjes en hoofdstukken moeten gelijk gevormd zijn.\
  • Zorg dat de plaatjes niet te dicht op de rand staan.
  • Zorg dat je af en toe een witregel gebruikt.\
  • Let er op dat er niet drie regels van een hoofdstuk op een andere pagina staan.
  • KORTOM: Zorg voor rust en regelmaat in je lay-out.

SUCCES !!!